En toen was het alweer mei, en had ik al veel te lang niet meer geblogd… Sinds mijn Japanreis is er natuurlijk van alles gebeurd. Zo ben ik een enthousiaste yogi geworden die elke ochtend start met yoga, regelmatig power, ashtanga en vinyasa yogalessen volgt en op yogaweekenden gaat. Ik draai mijn hand dan ook niet meer om voor een zonnegroet, neerkijkende hond, of –mijn favoriet- een omgekeerde boog. Een driedubbele draai of cross body lead kan ik ook nog steeds- inmiddels dans ik alweer ruim 2 jaar salsa, wat ik ook nog steeds geweldig vind. Zingen doe ik ook, zo zong ik in januari 2011 weer eens de Vespers van Rachmaninov en gaf ik in april een aantal passieconcerten.
Kortom: het gaat me goed, er gebeurt van alles in mijn leven. Maar niet alles is blogbaar (or so I keep telling myself). Reizen vormen natuurlijk een uitzondering- daar schrijf ik nog steeds graag over. In februari dit jaar bezocht ik samen met een andere sopraan de Skytische sopraan in Wenen, wat superleuk was ookal was ik ziek als een hond. En nu ben ik dan voor het eerst in tijden naar een stad geweest die al heel lang op mijn verlanglijstje stond: Istanbul.
Istanbul. Sluit je ogen. Wat is het eerste beeld dat in je opkomt? Of het nu een drukke bazaar is, eindeloze minaretten en koepels, orthodoxe mozaïeken, luide straatverkopers, gesluierde vrouwen, fin de siècle wijken of de Oriënt Express… het is allemaal waar. Vele schrijvers hebben hun talenten al gewijd aan het beschrijven van deze stad. Denk bijvoorbeeld aan Louis de Bernières, Orhan Pamuk, Pierre Loti en de eerder op dit blog gerecenseerde Cornelia Golna. Prachtige boeken, over een prachtige stad: Istanbul, het Parijs van de Oriënt. Plus het Wenen, en doe het Kopenhagen er ook maar bij. Want deze stad overstijgt elke verwachting en vergelijking. Istanbul is een ervaring op zich.
Ik maak me dan ook geen illusies. In dit blog zal ik verslag doen van mijn weekje Istanbul. Samen met mijn foto’s kan het helpen om je een beeld te vormen van de stad. Maar uiteindelijk zul je er zelf heen moeten gaan. Waarom? Om Pierre Loti (1850-1923), Frans auteur en Istanbullofiel bij uitstek, te citeren: “Aucune capitale n’est plus diverse par elle-même, ni surtout plus changeante d’heure en heure, avec les aspects du ciel, avec les vents et les nuages- dans ce climat qui a des étés brûlants et une admirable lumière, mais qui par contre a des hivers assombris, des pluies, des manteaux de neige tout à coup jetés sur les milliers de toits noirs.”
Na deze ietwat verheven inleiding komen we maar down to earth. Istanbul is tenslotte precies zo: het ene moment volgen je ogen de minaretten hemelwaarts, het volgende lokt je neus je een van de vele geweldige Lokantası of Meyhanes in voor een heerlijke Turkse maaltijd. Mijn maag heeft zich dan ook prima vermaakt in Istanbul. Favoriet is de Anatolische keuken, met gözleme (flinterdunne pannenkoekjes) gevuld met feta, gehakt en spinazie, gevulde pasta in yoghurtsaus met knoflook, en mezze (verschillende gerechtjes op een bord). Zelfs bietjes worden op zo’n manier klaargemaakt dat ik ze lust (in een knalroze gerecht!). Dan is er natuurlijk baklava, waar ik misselijkmakende hoeveelheden van heb verorberd, börek (bladerdeeg gevuld met kaas), kebap, en çiğ köfte (rauw lamsgehakt met kruiden!). En çay… eindeloze hoeveelheden çay. Als theelurk par excellence vond ik het geweldig om te zien hoe in elk portiek, in elke winkel en elk café iedereen wel een glaasje thee in de hand of in de buurt heeft. Zelfs bij een openluchtconcert dat ik bijwoonde (waarover later meer) werd gratis thee verstrekt. In een land waar een biertje in de middag niet echt gebruikelijk is (want haram) en het kraanwater niet altijd safe, is thee een geweldige oplossing. Met veel suiker natuurlijk, en in zo’n charmant glaasje.
Ik landde zondagavond in Azië na een vlucht van 3 uur. Voor een Indonesië- en Japanvaarder als ik was dat wel een geinige gewaarwording: Azië is natuurlijk niet alleen het verre Oosten. Per bus reisde ik van de luchthaven naar het Europese deel van de stad, naar Sultanahmet: de oude wijk waar de Blauwe Moskee staat, de Aya Sofya en mijn hotel. De rit door nachtelijk Istanbul, met lampjes overal en feeëriek aangelichte moskeeën, was sprookjesachtig. Met een heel brede grijns zat ik een uur lang tegen het raampje van de bus aangeplakt: ik kon niet wachten om deze stad te leren kennen. Maar eerst een nachtje slapen: ik logeerde in Hotel Sokullupaşa, in een fantastische kamer met groot rond bed, jacuzzi, Turks stoombad, douche en toilet. Een pasja waardig! En wat een welkom als je lichtelijk verfomfaaid en plakkerig aankomt na je vlucht (ik weet niet wat het is maar vliegtuigen doen iets met je. And it ain’t good).
De volgende dag besloot ik eerst de “verplichte nummers” te bezoeken. De Aya Sofya was dicht, maar de Blauwe Moskee kon ik wel in. Wow. Ik was al eerder in moskeeën geweest, had ook echt wel eens een heel grote bezocht (de Istiqlal moskee in Jakarta), maar dit was echt een hele mooie plek. Een hoge koepel met fraaie patronen, verrassend veel licht en ondanks de vele bezoekers vervuld van een zekere rust. De sfeer was gemoedelijk: alle etniciteiten en religies hobbelden door elkaar, ik spotte zelfs een boeddhistische monnik. In de moskee ontmoette ik Meriem, een nogal pittige dame uit Algerije. We raakten aan de praat (lang leve mijn Frans!) en besloten de rest van de dag samen op te trekken. Hilarity ensued, aangezien Meriem beslist had dat we op vrijwel elke straathoek een foto moesten maken: eerst van mij, en dan van haar. Zo schoot het natuurlijk niet echt op; ik besloot om haar met zachte hand naar het Topkapı paleis te leiden. Beter bekend bij Mozart liefhebbers als Der Serail, bleken de tuinen van dit fraaie oude paleis van de sultans een perfecte plek om rond te dwalen, te keuvelen en (alweer) foto’s te maken. We hadden een geweldig zicht op de Bosphorus en de oude Byzantijnse stadsmuren. De schatkamer zijn we maar niet in geweest, de rijen waren helaas érg lang. Wel hebben we het zwaard en de voetafdruk van Mohammed gezien, en vele andere relikwieën. Meriem vond het geweldig, en vertaalde alle Arabische opschriften voor mij met veel enthousiasme.
Hongerig kwamen we het paleis uit, en we besloten ons neer te vleien in de kussens van een restaurant met voornoemde Anatolische pannenkoekjes en mezze. Heerlijke manier van eten: allemaal kleine hapjes en smaakjes die je half liggend en thee lurkend tot je neemt. Kritische Meriem was ook erg tevreden, al verklaarde ze dat ik beslist ook de Algerijnse keuken eens moest verkennen. Ze beloofde me een recept te geven dat ik inmiddels na een hilarische Skypesessie ontvangen heb (lees: gedicteerd heb gekregen). Dus wie trek heeft in “Kbab Algérien” melde zich, want ik ga het binnenkort eens klaarmaken.
Dit vind ik dus het mooie aan alleen reizen: dat je andere reizigers ontmoet en daardoor ineens op een heel andere manier om je heen gaat kijken. Nu moet ik wel zeggen dat Meriem, met haar uitbundige en ietwat bazige persoonlijkheid, voor een dag gezellig én meer dan voldoende was. Nadat we de ondergrondse wateropslag van de Byzantijnse keizers (Basilica cisterne) hadden bekeken, genoten hadden van het kauwgomachtige ijs dat ze in Istanbul verkopen, én ik Meriem geholpen had een Bosphoruscruise te boeken (ik tolkte tussen haar en de Engels sprekende Turkse travel agent), was het tijd om afscheid te nemen. Nagenietend van een dagje Franse taal immersion kwam ik in het parkje bij de Blauwe Moskee twee jazzmuzikanten tegen die erg goed waren. Het leken me Japanners, dus liep ik tussen twee nummers door op hen af en vroeg ze waar ze vandaan kwamen. Ik had gelijk, ze kwamen uit mijn geliefde Japan, Saitama-ken om precies te zijn, en we kletsten wat in het Japans. Die half ongelovige blik waarmee “Japanners in het wild” mij aankijken als ik ze in hun taal aanspreek is echt priceless. Het was fijn om even Japans te brabbelen, vooral om van mijn lichte frustratie af te komen dat ik me ondanks mijn 5 talen gewoon niet verstaanbaar kon maken jegens de “gewone Turk”.
Gelukkig had ik geen kennis van het Turks nodig om diep geraakt te worden toen ik die avond een ceremonie van de wervelende dervishes meemaakte. Deze heren in lange witte rokken en ietwat potsierlijke vilten hoeden kunnen iets wat ik na al die salsalessen ze nog niet na zal doen: eindeloze rondjes draaien om hun as, de ogen gesloten, de handen opgeheven, maar zonder draaierig te worden, ook al kunnen ze niet spotten. (Voor de niet-dansers onder ons: “spotten” is een techniek waarbij je je hoofd sneller laat draaien dan de rest van je lichaam en steeds terugkeert bij een vast punt, dit om draaierigheid te voorkomen). De sufimuziek creëerde een onwereldse sfeer, en kijkend naar de wervelende mannen in het wit leek de tijd even helemaal stil te staan.
Dinsdag ging ik dan eindelijk naar de Aya Sofya, mijn enige “must” voor deze trip. Ik besloot op te warmen met de Küçük Aya Sofya, ofwel de kleine Aya Sofya. Deze snoezige kleine kerk-turned-moskee werd beheerd door een vriendelijke tandeloze oude baas, die helemaal in zijn nopjes was met het feit dat ik uit mijzelf een donatie in het daartoe bestemde bakje deponeerde- hij schudde enthousiast mijn hand en zei güle güle, wat zoveel schijnt te betekenen als kom nog eens terug. Na dit uitstapje volgde ik de oude Byzantijnse stadsmuren langs de monding van de Bosphorus naar mijn hoofddoel voor die dag, de Aya Sofya. Wat een gebouw! Gebouwd in de 6e eeuw na Christus is het 1000 jaar een kerk geweest, toen nog 500 jaar een moskee en nu een museum. Byzantijnse mozaïeken en grote ronde borden met Arabische kaligrafieën hangen er door elkaar, en dat kan prima. Indrukwekkend is de ruimte: een gigantische koepel waarvan de pilaren zijn weggewerkt in de muren, waardoor je het gevoel krijgt in een basiliek van weleer te staan. Er zijn laag hangende kroonluchters, een Mimber en een Mihrab, en als je je ogen half dichtknijpt en je inbeeldt dat er tapijten op de vloer liggen, kun je je best voorstellen dat dit een moskee is geweest. Maar het voelt meer aan als een kerk: in de achterste koepel kijkt een glimlachende Maria op je neer, en de architectuur is duidelijk niet islamitisch.
Na al deze eeuwenoude pracht en praal had ik behoefte aan something completely different, dus pakte ik de tram over de Galatabrug naar Tophane, naar Istanbul Modern. Dit museum is nog relatief nieuw en herbergt een eclectische collectie Turkse kunst- van figuratieve schilderijen uit de jaren ’10 en ’20 tot abstracte sculpturen en installaties. Wat ik fijn vind aan musea voor moderne kunst is dat ze zich vaak op aparte locaties bevinden waar je als “gewone” toerist niet zo snel komt, dat ze ruim opgezet zijn en dat je altijd wel een paar kunstwerken tegenkomt die onder je huid gaan zitten. Zo ook hier. Het museum lag aan de kade waar, zoals Pierre Loti beschrijft in zijn voornoemde boek, je het maritieme leven van Istanbul aan je voorbij kunt zien trekken en waar overal çay gedronken en nargileh (waterpijp) geroken wordt. Ik was vooral onder de indruk van de bibliotheek van het museum waar honderden boeken aan draadjes hangen, en van de installaties. Favoriet was Migration van Doug Aitken (voor een impressie, klik hier), waar verschillende dieren van Noord-Amerika geplaatst werden in de allesbehalve natuurlijke omgeving van motels. Een eervolle vermelding ook voor het geinige, superkorte filmpje Road To Tate Modern van 2 Turkse kunstenaars die als Don Quichote en Sancho Panza door het Anatolische achterland trekken op weg naar Tate Modern, waar ze hopen te exposeren.
Moe geworden van al deze indrukken (en vooral de niet aflatende tapijtverkopers die in de oude stad voortdurend achter me aanhobbelden) besloot ik mijn dag af te sluiten met een bezoek aan de Cağaloğlu Hamamı, een historisch Turks badhuis. Er werd een breed palet met behandelingen aangeboden, met allerlei scrubs en massages- ze hadden zelfs een Sultanpakket. Dat was me echter iets te duur, dus koos ik voor een combinatie van een scrub, gevolgd door een inzeep- en shampoosessie en een massage. Nu was ik wel wat gewend uit Japan, maar hoe anders is een hamam vergeleken met een onsen! Waar je in een onsen jezelf van top tot teen afboent alvorens je in het zalige mineraalhoudende hete water te laten zakken, is er in de hamam geen bad, alleen maar stoom. Dat is toch wel andere koek: in mijn rood met wit geblokte omslagdoek en op mijn houten slippertjes (ik moest om een grotere maat vragen, 40/41 is natuurlijk huge voor Turkse begrippen) klepperde ik naar een grote marmeren ruimte waar het heel warm was, maar geen water te bekennen. Daar moest ik eerst maar eens gaan zitten en het vuil van de dag er eens goed uitzweten. Na een minuut of 20 kwam er een dametje op mij af die mijn hand pakte en me leidde naar een achthoekige marmeren verhoging, waarvan het oppervlak aardig heet was. Daar moest ik op gaan liggen, en terwijl de weldadige warmte zich door mijn ledematen verspreidde, werd ik grondig gescrubd. De vellen vlogen er letterlijk vanaf. Preuts of kinderachtig moet je niet zijn: nadat voor- en achterkant gescrubd waren, werd ik van top tot teen ingezeept en schoongespoeld, om vervolgens stevig gemasseerd te worden. Daarna werd mijn haar gewassen en kreeg ik een hoofdmassage, en toen was de service alweer voorbij. Ik ben nog even in het stoombad blijven zitten terwijl ik af en toe wat koud water uit een fonteintje over mijn hoofd plensde- deed me denken aan de mandibakjes uit mijn jeugd. Al met al een bijzondere ervaring die ik niet had willen missen, al was het maar omdat ik als een loom wolkje naar het hotel zweefde: als er één probaat middel is tegen stress en tapijtverkoper-induced ergernissen, dan is het dit wel.
Woensdagochtend besloot ik off the beaten track te gaan naar Eyüp, een wijk in het Westen van de stad waar maar weinig toeristen komen. Je vindt er de Eyüp Sultan moskee, een van de heiligste in de islamitische wereld, en dat kun je wel zien: in deze buurt geen moderne Turkse vrouwen met highlights in het haar en pumps aan de voeten. Traditionele kleding is de rigeur, variërend van een hoofddoek met lange jas tot zwarte chadors. Uitzondering is het terras van het Pierre Loti café, waar vooral toeristen en moderne Turkse koppels heengaan om te genieten van het geweldige uitzicht, het Franse sfeertje en de frisse lucht. Je moet er wel de teleferik (kabelbaan) voor nemen de heuvel op, maar het is de moeite waard. Gezeten aan zo’n tafeltje met mijn mierzoete glaasje çay, met een magnifiek uitzicht over de Gouden Hoorn, zat ik echt te genieten. De pratende, kletsende en rokende(!) mensen op het zonbespikkelde terras vormden een tafereeltje dat me erg deed aan Renoirs fraaie Le Moulin de la Galette.
Aan alle moois komt echter een einde, en dus pakte ik de teleferik naar beneden, en stapte ik vervolgens op de commuter ferry die mij al heen en weer pendelend naar de Galatabrug zou brengen. Op de ferry raakte ik aan de praat met Judy, een Amerikaanse dame die al enige tijd met pensioen was en woonde op een zeilboot in het Caribisch gebied. Zij was in Turkije om te gaan zeilen met een aantal vrienden, maar had de tijd genomen om nog even wat van Istanbul te zien.
Ze had nog geen vastomlijnde plannen en was dus enthousiast toen ik voorstelde om de funikuler (ondergrondse tram) te nemen naar Istiklak Caddesi, dé winkelstraat van de stad, waar zich Patisserie Markiz bevond: een chique fin-de-siècle etablissement waar je in vroeger tijden heenging om te zien en gezien te worden. Zo gezegd, zo gedaan, en dus zaten we even later genoeglijk aan onze ENORME punten chocoladetaart met çay. Het interieur van de tent was fraai, met Art Nouveau tegelwanden, alleen was het al lang niet meer een exclusieve eetgelegenheid. Toch was het fijn om wat van deze vergane glorie te kunnen proeven.
Die middag ontmoette ik dan eindelijk Yücel, onze vorige stagiair die inmiddels een halfjaar in Istanbul studeert en met wie ik afgesproken had. Hij trof me aan in CD-winkel Mephisto, met een arm vol Turkse muziek- ik kon niet kiezen uit de vele CD’s en aangezien ze niet heel duur waren, kocht ik er lekker veel. Zo ben ik nu de trotse bezitter van Ottomaanse barokmuziek, Koerdische volksmuziek, en Turkse pop en jazz. Gelukkig met mijn muzikale buit en glimlachend van oor tot oor liet ik me meetronen door Yücel langs zeer pittoreske straatjes, die erg aan bohemien Parijs deden denken, maar gek genoeg ook aan hip Daikanyama (Tokyo) en Fukuoka. We eindigden in Limonlu bahçe, de limoenentuin, waar we een drankje nuttigden alvorens terug te keren naar Istiklak Caddesi voor een stevige Anatolische hap. Onze buikjes rondgegeten hebbende, maakten we nog een wandeling langs Taksim, waar altijd demonstraties plaatsvinden (zo ook nu, Turkse feministen demonstreerden tegen huiselijk geweld) en Tarlabaşı, een ghetto-achtige wijk met grubby kindjes en wasgoed aan lijntjes tussen de huizen (Napels, anyone?). We eindigden in 360, een hippe club waar ze rakı cocktails hadden en een zwart-wit film van Elisabeth Taylor geprojecteerd werd op de muur. Zelf had ik het waarschijnlijk niet kunnen vinden: de ingang was een gewoon appartementengebouw, met een marmeren gang en brede trappen die langs allerlei ateliers en galerieën leidden. Hier moeten vroeger welgestelde Europese Istanbullus gewoond hebben. Op de bovenste verdieping bevond zich dan deze club, waar je dankzij de glazen muren inderdaad een 360 graden uitzicht had op nachtelijk Istanbul, vol twinkelende lichtjes en blauw aangelichte minaretten.
De volgende dag trof ik Yücel weer voor lunch op Kız Kulesi, een toren op een eilandje middenin de Bosphorus. Maar eerst bezocht ik nog de Chora kerk, veel kleiner dan de Aya Sofya maar met talloze schitterende fresco’s en mozaïeken zeker zo indrukwekkend. Het was wel even een gedoe om er te komen. Hoewel ik qua afstand best naar deze kerk had kunnen fietsen, moest ik het eerste tweewielige voertuig in Istanbul nog tegenkomen (geen fiets gezien, zelfs geen bakfiets) en besloot ik dus te bussen. Met mijn twee (letterlijk, twee) woorden Turks kon ik gelukkig nog net de weg vragen en heb ik het dus gered. Naar Kız Kulesi werd ik gelukkig begeleid door de vloeiend Turks sprekende Yücel, wat enorm hielp. Zo’n boottochtje over de Bosphorus is niet te versmaden, al waren de golven zo hoog dat we vervaarlijk heen en weer schommelden in ons kleine veerbootje. Eenmaal terug aan vaste wal maakte we een lekkere wandeling langs de studentikoze buurtjes en het chique Nişantaşı, waar Chanel, Louis Vuitton en andere usual suspects te vinden waren. De omgeving was echter vrij understated- meer PC Hooft dan Champs Elysées of Ginza. We bezochten het grootste winkelcentrum van Europa, waar we in een massagestoel doken om onze moegelopen beentjes wat rust te gunnen, en vatten toen het plan op om die avond naar de campus van de TU Istanbul te gaan. Daar zou namelijk Sertab Erener, populaire zangeres en songfestivalwinnaar 2003 een openluchtconcert geven. Ik was voor. We kochten geen kaartjes en hadden daar ook geen spijt van: gezeten op een heuvelrand met een gratis kopje çay in de handen keken we uit op het atletiekstadion waar mevrouw Erener kwam zingen. Na een schijnbaar eindeloos voorprogramma was ze daar eindelijk, en dankzij mijn camera met zoomlens kon ik haar dikke witte bontjas en indrukwekkend hoge hakken ontwaren. Maar dit was bijzaak: wat een strot heeft deze dame! Zelfs live was ze steengoed en stak ze met kop en schouders boven haar voor- en tussenprogramma uit. Om ons heen op de heuvelrand waren plukjes studenten neergestreken, die ook fan bleken. Vooral één jongen met snor en platte pet was enthousiast en kón zich eenvoudigweg niet inhouden: gevaarlijk dicht bij de steile helling naar beneden danste, kronkelde hij, heup- en schouderwiegend op de aanstekelijke muziek. Hij maakte de show compleet- had ik niet willen missen.
Vrijdag was mijn laatste dag in Istanbul, en weemoed vervulde mijn gemoed. Ik maakte een laatste wandeling langs de Bosphorus en het Dolmabahçe paleis dat ik alleen van buiten heb bekeken- een wachttijd van 2 uur is me toch echt te lang. In plaats daarvan keerde ik terug naar het oude gedeelte van de stad, waar ik nog even het station heb bekeken waar in vroeger tijden de Oriënt Express aankwam. Daar vlakbij is Hafiz Mustafa’s theesalon, waar ze de heerlijkste baklava en börek verkopen. Nadat ik er maandag al genoten had van het heerlijke eten, sloten çay, gratis wifi en gezellige banter met de eigenaar, besloot ik er mijn laatste uurtje in Istanbul door te brengen. Ik had er geen spijt van: het was weer supergezellig, ik kocht een paar darling theeglaasjes, en was blij dat ik de Grand Bazaar (toeristenval bij uitstek) met een gerust hart links kon laten liggen. Met weer een glimlach van oor tot oor scharrelde ik naar mijn hotel, waar een shuttlebusje me oppikte om terug te rijden naar de luchthaven. Met de neus wederom tegen het raampje aangeplakt zoog ik de laatste beelden in me op: de zon op het water van de Bosphorus, de oude Byzantijnse stadsmuren waar de rode Turkse vlag fier wapperde, de Simitverkopers die zich een weg baanden door de auto’s…
Wat een heerlijke trip was dit. Ik heb intens genoten, heb mijn hart een beetje verloren aan deze unieke stad waar Oost en West samenkomen en zich met elkaar vervlechten. Om Pierre Loti nog maar eens te citeren: “Et ces rues, ces places, ces banlieues de Constantinople, il me semble qu’elles sont un peu à moi, comme aussi je leur appartiens. ”